Nostalgisch dagje

By dinsdag, juli 8, 2014 0 Permalink

gun

Miep kijkt mij venijnig aan. Aan haar gezicht te zien denkt ze dat Bofkont liegt…

Mijn ouders namen ons eens per jaar mee naar de Deventer Zomerkermis. Drie pleinen kermispret, iets waar je als kind met kriebeltjes in je buik naar uitkeek. In onze keuken hing een pollepelrekje. Daar, in die pollepel, lag het door oma gegeven briefje van vijfentwintig gulden te wachten. Mijn broertje en ik keken elke dag of het briefje er nog lag, zo niet, dan was het feest!

Dit weekend liep ik met mijn gezin over de kermis in Deventer. Ik vertelde mijn kinderen dat een windmolen wel honderd kermissen kan laten draaien. Mijn oudste zoon vond de informatie uit de luidspreker van de schiettent echter interessanter. Een luikje in mijn hoofd opent zich. Een schiettent. Ping! Herinnering. Een heuse zorgvuldig verbannen herinnering…

In de zomer van 2009 loop ik over de kermis met mijn lief. Bé en ik hebben onze drie muiters uitbesteed aan mijn ouders, die zichtbaar genietend de kleinkinderen in elke gewenste attractie zetten. Oma maakt enthousiaste fotootjes en opa heeft een brede grijns op zijn gezicht. Het weer is goed en de dag is top. We staan bij de schiettent. Bé staat naast mij met onze dochter op de nek. Hij kijkt naar de schietende mensen. Hem kennende bestudeert hij de baan van de kogeltjes. Of de loop wel recht is en of het geen oplichterij is. Ik hoop ooit met een trotse kijk-eens-wat-een-grote-beer-mijn-vent-geschoten-heeft knuffel te pronken. Een keer schoot hij wel een leuk roze exemplaartje, maar deze kon aan mijn sleutelhanger. Nu waren we toen net samen en ik was dolblij met mijn beer. Maar goed, Bé kijkt nog steeds naar de schiettent. Ik geloof niet dat hij de exploitant vertrouwt en een schot gaat wagen. Ik zie mijn ouders vrolijk naar elkaar kijken.

Ik schiet op mijn ouders. Ha! Dat is een leuk Kodak momentje. Ik houd de camera voor me en kijk door de display. Ja, heel leuk… Al kijkend op het schermpje drentel ik een stapje achteruit. “Bé! Kijk eens…” Bé reageert niet. Niet bijzonder, dat gebeurt wel vaker. Hij hoort mij zelden. Dat zou natuurlijk kunnen betekenen dat ik doorgaans teveel informatie naar zijn hoofd slinger en dat hij selectief is. Puur herhalen is dan vaak het teken dat ik echt iets te vertellen heb. “Bé! Kijk wat een leuke foto!” –stilte- “Kijk dà-hàn…” Ik zet mijn dà-hàn kracht bij door liefdevol over zijn billen te aaien. Ook dit keer lijk ik niet dringend genoeg te zijn. Wel ja zeg! Over oostindisch doof gesproken. Al kijkend naar de foto op de display van de camera voel ik naast me. Ik aai Bé nog een keer over zijn billen. Nu wat langer. “Kijk nou! Hij is leuk, hè?” Ik kneed bij ‘leuk’ liefdevol doch pissig in zijn achterste en besluit met een tikje dat hij nu echt moet reageren. “Leuk hè”, sis ik hem toe.

Hij is helemaal niet leuk! Hij is niet Bé… want hij is een ander! En hij, de Bofkont, kijkt me met een mengeling van ongeloof (heb ik dat?), ongemak (blijf van me af) en schuldgevoel (zag Miep het ook?) geamuseerd aan.
“Ik dacht dat je B. was”, stamel ik. Voor het eerst sinds de pubertijd sta ik van gêne met een knalrood hoofd te stotteren. Ik mompel iets van “sorry”. Iets originelers kan ik niet verzinnen. Bofkont zegt dat het hem wel vaker overkomen is. Nou, mijn niet! Miep kijkt mij venijnig aan. Ze weet niet goed wat ze van mij moet denken. Aan haar gezicht te zien denkt ze dat Bofkont liegt. Of, ze hoopt dat hij liegt. Anders zal hij vanavond er van langs krijgen. Ik heb tenslotte aan de billen van Bofkont gezeten en ik vermoed dat ze in gemeenschap van goederen zijn getrouwd… Er valt een stilte en ik besluit dat ik op dit ongemakkelijke hoogtepunt van het toneel moet verdwijnen…

Bé komt de hoek om slenteren met onze dochter op de nek. Hoe krijgt hij het toch altijd voor elkaar om in een split second van de aardbodem te verdwijnen? Mijn vader kijkt mij vol ongeloof aan. Zijn enige dochter zat, recht voor zijn neus, een wildvreemde man in zijn kont te knijpen. Dat vertelt hij dan ook met een “sjongejonge” aan Bé, die nuchter concludeert dat Bofkont niet eens een kind op zijn nek heeft. Ik probeer mij nog te rechtvaardigen en zeg dat ze allebei een blauw jack aan hebben. Bé gniffelt. “Wat moet ik toch met jou,” denkt hij. Mijn vader schudt nogmaals zijn hoofd. “Zo heb ik haar toch niet opgevoed?”

Mijn moeder komt eraan met een grote zak warme oliebollen. Net als vroeger. Lachend geeft ze mij er eentje. Voor de troost. Ook net als vroeger, wanneer ik niet nog een keer in de draaimolen mocht. Tradities zijn er tenslotte om voort te zetten.